ECLI:NL:CRVB:2017:590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering en boeteoplegging wegens niet-woonachtig zijn op BRP-adres
Appellant stond sinds 6 juni 2011 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een adres te [woonplaats 1]. De minister kende vanaf 1 januari 2012 studiefinanciering toe voor een uitwonende student, maar herzag dit bij besluit van 19 december 2014 en kwalificeerde appellant als thuiswonend, met terugvordering van €7.023,72. Tevens legde de minister een bestuurlijke boete van €3.411,97 op.
De herziening en boete waren gebaseerd op een huisbezoek van 17 november 2014, waarbij geen persoonlijke spullen van appellant werden aangetroffen en de hoofdbewoner geen informatie kon geven over appellant. Een later door de gemeente uitgevoerd onderzoek concludeerde dat appellant wel op het BRP-adres woonde, maar dit kon appellant niet baten omdat de feitelijke situatie was gewijzigd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de minister met het rapport van de controleurs aan de bewijslast had voldaan. Wel werd vastgesteld dat het wettelijk vermoeden voor de boeteoplegging beperkt is tot maximaal 12 maanden voorafgaand aan het huisbezoek, waardoor de boete moest worden herzien naar €1.196,-. De overige besluiten werden bevestigd.
De minister werd veroordeeld in de proceskosten van appellant en moest het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Herziening studiefinanciering bevestigd, boete verlaagd naar €1.196,- en minister veroordeeld in proceskosten.