Appellant ontving bijstand van oktober 2014 tot februari 2015 en meldde zich in februari 2015 bij het Jongerenloket voor een aanvraag om bijstand. Het college legde een inspanningsperiode op en nodigde appellant uit voor gesprekken, waarop hij niet verscheen. Appellant stelde dat hij een aanvraag had gedaan en dat het college in gebreke bleef, waarna hij beroep instelde tegen het niet beslissen op zijn aanvraag.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van het college ongegrond, omdat niet was gebleken dat een aanvraag tot stand was gekomen. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet wist welke formulieren hij had getekend en dat het college ten onrechte melding en aanvraag door elkaar haalde.
De Raad oordeelde dat op grond van de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag om bijstand schriftelijk moet worden ingediend en dat melding en aanvraag juridisch verschillend zijn. Omdat appellant geen aanvraagformulier had ontvangen en niet was verschenen bij vervolggesprekken, had hij niet aannemelijk gemaakt dat hij een aanvraag had ingediend. Ook een beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de voorzieningenrechter.