ECLI:NL:CRVB:2017:637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met hoofdbewoner
Appellante diende op 23 juli 2015 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, waarbij zij verklaarde een kamer te huren bij een hoofdbewoner en een bijdrage te betalen. Na een onderzoek door de gemeente Amsterdam, waarbij dossieronderzoek en gesprekken plaatsvonden, concludeerde het college dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met de hoofdbewoner. Dit leidde tot afwijzing van de aanvraag op 2 september 2015, wat door de voorzieningenrechter werd bevestigd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, maar slechts een kamergenootschap zonder wederzijdse zorg. De Raad stelde vast dat aan het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf was voldaan en beoordeelde de mate van wederzijdse zorg aan de hand van verklaringen van appellante, waarin zij diverse zorgactiviteiten en financiële afhankelijkheden beschreef.
Hoewel appellante later de intensiteit van deze activiteiten relativeerde, hield de Raad vast aan haar ondertekende verklaring en concludeerde dat de gezamenlijke zorg voldoende was aangetoond. De Raad oordeelde dat appellante gehouden is aan haar verklaring en dat het college terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met de hoofdbewoner.