ECLI:NL:CRVB:2017:654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening IOAW-uitkering op grond van gezamenlijke huishouding zonder zorgbehoefte
Appellante ontving sinds 2010 een IOAW-uitkering op grondslag alleenstaande. Het college van B&W Rotterdam verlaagde haar uitkering in 2015 vanwege toepassing van de kostendelersnorm, gevolgd door intrekking van de uitkering per 20 juli 2015 omdat appellante met haar zus een gezamenlijke huishouding voert. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij en haar zus geen gezamenlijke huishouding voeren dan wel dat er sprake is van zorgbehoefte bij haar zus, die een Wajong-uitkering ontvangt en beperkingen zou hebben. De Raad oordeelde dat aan het criterium gezamenlijke huishouding is voldaan, omdat zij hetzelfde hoofdverblijf delen en blijk geven van wederzijdse zorg door gezamenlijke huishoudelijke activiteiten en kostenverdeling.
De stelling van zorgbehoefte werd verworpen omdat appellante dit niet met medische gegevens onderbouwde en de zus niet voldoet aan de strikte criteria voor zorgbehoefte zoals opgenomen in de rechtspraak. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de IOAW-uitkering wordt bevestigd.