ECLI:NL:CRVB:2017:676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing indicatie AWBZ-zorg voor persoonlijke verzorging en begeleiding
Appellante, bekend met een parese aan de rechterarm en bijkomende fysieke en psychische klachten, verzocht om uitbreiding van haar AWBZ-indicatie voor persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging. Het CIZ wees dit verzoek af en beëindigde de eerder verleende indicatie, met een gewenningsperiode van zes weken. Na bezwaar stelde het CIZ de gewenningsperiode vast op drie maanden en verleende een tijdelijke indicatie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de medische adviezen van de medisch adviseur voldoen aan de eisen en dat de beperkingen van appellante kunnen worden opgevangen met wettelijk voorliggende voorzieningen zoals fysiotherapie en GGZ-behandeling. Appellante bracht geen nieuwe gegevens in die deze conclusie ondermijnen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar fysieke en psychische klachten haar verhinderen zich volledig zelf te verzorgen en dat zij bezwaren heeft tegen ondersteuning door andere hulpverleners dan familie. De Raad onderschreef de rechtbank en oordeelde dat de psychische klachten behandeling binnen de GGZ behoeven en dat de bezwaren tegen de zorgverleners niet relevant zijn voor de indicatie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante geen recht heeft op AWBZ-zorg.