ECLI:NL:CRVB:2017:677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding niet aannemelijk voor periode 25 juli tot 1 december 2013
Betrokkenen ontvingen bijstand volgens de norm voor gehuwden en later als alleenstaanden. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij samenwoonden, stelde het bureau Handhaving van het ISWI een onderzoek in, dat leidde tot intrekkingsbesluiten van de bijstand per 25 juli 2013 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank vernietigde deze besluiten voor de periode 25 juli tot 1 december 2013 omdat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat betrokkene 1 zijn hoofdverblijf had op het adres van betrokkene 2 in die periode. In hoger beroep stond centraal of de rechtbank terecht meer waarde hechtte aan getuigenverklaringen van bewoners van een andere straat.
De Raad oordeelde dat het college de last van bewijs niet had voldaan. Getuigen uit de straat van betrokkene 1 gaven gedetailleerde verklaringen over overlast en verblijf, terwijl de verklaringen van bewoners van de straat van betrokkene 2 onvoldoende concreet waren over de verblijfperiode en feiten. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en de intrekking van bijstand vanaf 25 juli 2013 niet gehandhaafd.
De Raad veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene 1 en legde griffierechten op. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 februari 2017.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand vanaf 25 juli 2013 wordt niet gehandhaafd omdat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene 1 zijn hoofdverblijf had aan het adres van betrokkene 2.