Uitspraak
15 februari 2016, 14/7510 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant stond ingeschreven op een adres en ontving bijstand op grond van de WWB. Het college trok de bijstand in omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Dit werd ondersteund door huisbezoeken en verklaringen van directe buren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verklaringen van buren subjectief en niet ondertekend waren en dat hij wel woonachtig was op het adres, mede omdat hij zich stil hield uit angst voor deurwaarders en politie.
De Raad oordeelde dat het college voldoende feitelijke grondslag had voor het besluit, met name de consistente en onafhankelijke verklaringen van buren en de bevindingen van het huisbezoek. De stelling van appellant werd verworpen en het hoger beroep werd afgewezen.
Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd eveneens afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en het besluit van het college.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.