ECLI:NL:CRVB:2017:694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet verschijnen na oproep
Betrokkene diende op 29 januari 2015 een aanvraag om bijstand in met ingang van 3 februari 2015. Vanwege onduidelijkheid over zijn woonsituatie voerden medewerkers van de Dienst SZW onaangekondigde huisbezoeken uit op 13 en 14 april 2015, waarbij geen gehoor werd gegeven. Op 14 april 2015 werd een oproepbrief voor een gesprek op 16 april 2015 in de brievenbus van betrokkene gedeponeerd. Betrokkene verscheen niet op deze afspraak, waarop de aanvraag bijstand op 22 april 2015 werd afgewezen wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de oproepbrief daadwerkelijk was gedeponeerd. Appellant stelde in hoger beroep dat het rapport van 21 april 2015 en een aanvullend rapport van 19 januari 2016 voldoende waarborgen bieden en dat de oproepbrief wel degelijk in de brievenbus was geplaatst. De Raad nam het nader besluit van 29 februari 2016 mee in haar beoordeling.
De Raad oordeelde dat het deponeren van een brief in een brievenbus gelijkgesteld kan worden met niet-aangetekende verzending en dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat de oproepbrief tijdig en correct is bezorgd. De getuige bevestigde de gang van zaken en de werkwijze van het achterlaten van de brief. Betrokkene kon niet baten dat hij de brief niet heeft ontvangen, aangezien het risico daarvan voor zijn rekening komt.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en vernietigde het nadere besluit van 29 februari 2016 omdat de grondslag daarvoor was komen te vervallen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bijstand gehandhaafd.