Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:707

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2017
Publicatiedatum
1 maart 2017
Zaaknummer
16/2153 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2.2 Wmo 2015Art. 2.1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening voor vreemdeling op grond van koppelingsbeginsel Wmo 2015

Appellante, een vreemdeling zonder recht op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college op 2 april 2015 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard bij besluit van 12 augustus 2015, waarbij het college zich baseerde op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, verwijzend naar het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 Wmo 2015. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellante geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015 en ook niet als Nederlander is gelijkgesteld op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwees naar zijn eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd dan ook bevestigd.

Tot slot wees de Raad een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door L.M. Tobé op 27 februari 2017.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 vanwege het koppelingsbeginsel.

Uitspraak

16/2153 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
25 maart 2016, 15/5439 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de zaken 16/2153, 16/2154, 16/2155, 16/2156, 16/2157, 16/2160, 16/2218, 16/2220, 16/2222, 16/2223, 16/2224, 16/2225, 16/2226, 16/2229, 16/2268, 16/2269, 16/2271, 15/2272, 16/2375, 16/2376, 16/2378, 16/2379, 16/2418, 16/2419 en 16/2423 heeft gevoegd plaatsgehad op 18 januari 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Appellante heeft het college verzocht een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen bestaande uit passende maatschappelijke opvang.
1.3.
Bij besluit van 2 april 2015 heeft het college dit verzoek afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 12 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2015 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college, voor zover van belang, de afwijzing van een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover dat betrekking heeft op de Wmo 2015 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 geoordeeld dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.
3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante is geen vreemdeling als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en is ook niet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met een Nederlander gelijkgesteld. Voor zover appellante in hoger beroep aanvoert dat zij recht heeft op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015, verwijst de Raad naar zijn oordeel zoals dat is neergelegd in zijn uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellante geen aanspraak kan maken op een (maatwerk)voorziening op grond van de Wmo 2015. Hetgeen appellante in onderhavige zaak meer of anders heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.
4.2.
De aangevallen uitspraak komt voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015 voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2017.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) B. Dogan

NW