Uitspraak
29 april 2016, 15/8190 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat het koppelingsbeginsel van artikel 1.2.2 van de Wmo 2015 van toepassing is op maatschappelijke opvang en dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf niet gelijkgesteld zijn aan Nederlanders. De opvangvoorzieningen voor deze vreemdelingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris, die de uitvoering van het vreemdelingenrechtelijke opvangbeleid beheert.
De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris met voorzieningen zoals de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) voldoet aan de internationale verdragsrechtelijke verplichtingen. De beoordeling van de rechtmatigheid van deze opvangvoorzieningen is voorbehouden aan de vreemdelingenrechter en uiteindelijk aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Gelet op deze overwegingen en het wettelijke kader concludeert de Raad dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak maakt op maatschappelijke opvang als maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.