Uitspraak
1 april 2016, 15/6636 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college op 23 april 2015 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard bij besluit van 29 september 2015, waarbij werd verwezen naar artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante, voor zover het betrekking had op de Wmo 2015, ongegrond en oordeelde dat appellante geen aanspraak kon maken op een maatwerkvoorziening op grond van het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 Wmo 2015. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellante geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015 en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwees naar zijn eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor de vreemdeling.