Uitspraak
1 april 2016, 15/5955 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college afgewezen op basis van artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), dat het koppelingsbeginsel bevat.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant geen aanspraak kon maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellant stelde hoger beroep in tegen dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en verwijst naar een eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1). De Raad overweegt dat appellant niet valt onder de definitie van artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015 en ook niet gelijkgesteld is met een Nederlander volgens artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daarom kan appellant geen aanspraak maken op een maatwerkvoorziening.
De Raad ziet geen aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen en bevestigt de afwijzing van de maatwerkvoorziening. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de maatwerkvoorziening voor appellant op grond van artikel 1.2.2 Wmo 2015 wordt bevestigd.