ECLI:NL:CRVB:2017:765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres ondanks onvoldoende bewijs appellant
De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot herziening en terugvordering van studiefinanciering. De minister baseerde het besluit mede op een controleonderzoek waarbij werd vastgesteld dat appellant niet op het BRP-adres woonde. Dit onderzoek was deels uitgevoerd door een onbevoegde controleur, waardoor de bevindingen onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar zijn.
Toch rust het besluit niet uitsluitend op deze bevindingen, maar ook op de erkenning van appellant dat hij ten tijde van het onderzoek niet op het BRP-adres woonde. Appellant voerde aan dat hij vanaf april 2007 op het BRP-adres woonde en slechts tijdelijk bij zijn moeder verbleef vanwege haar ziekte. Hij overlegde verklaringen en administratieve stukken ter onderbouwing.
De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende overtuigend bewijs heeft geleverd dat hij van januari 2012 tot maart 2015 op het BRP-adres woonde. De verklaringen en poststukken bevatten geen gedetailleerde informatie over zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Ook eerdere huisbezoeken voor 2012 zijn niet relevant voor de periode van herziening. De minister hoefde daarom geen toepassing van de hardheidsclausule te overwegen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van studiefinanciering bevestigd.