Uitspraak
27 november 2014, 13/3916 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was ingeschreven op een adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) maar woonde daar ten tijde van een huisbezoek niet meer. De minister herzag daarop de studiefinanciering en vorderde het te veel betaalde bedrag terug. Appellant betwistte dat hij in de periode voorafgaand aan het huisbezoek niet op het GBA-adres woonde en voerde getuigenverklaringen aan ter onderbouwing.
De rechtbank stelde dat appellant niet onomstotelijk had bewezen dat hij op het GBA-adres woonde en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde dat de bewijslast bij appellant lag en dat de overgelegde verklaringen onvoldoende gedetailleerd en overtuigend waren om het wettelijk vermoeden van niet-wonen te weerleggen.
De Raad benadrukte dat verklaringen van familie en vrienden mogelijk zijn, mits deze inhoudelijk concludent en ondersteund door objectief bewijs zijn. De verklaringen in deze zaak voldeden hier niet aan. De herziening van de studiefinanciering en terugvordering bleven daarmee terecht gehandhaafd.
Uitkomst: De herziening van de studiefinanciering en terugvordering worden bevestigd omdat appellant niet onomstotelijk heeft bewezen op het GBA-adres te wonen.