Uitspraak
1 april 2016, 15/6878 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 19 juni 2015 af en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond bij besluit van 8 oktober 2015, met verwijzing naar artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, bevestigend dat zij geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet valt onder de definitie van vreemdeling in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellante geen recht heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.