Uitspraak
22 april 2016, 15/6658 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd op 23 april 2015 afgewezen en het bezwaar daartegen werd op 1 oktober 2015 ongegrond verklaard, waarbij het college zich baseerde op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, met verwijzing naar het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 Wmo 2015, dat vreemdelingen zoals appellant geen aanspraak geeft op dergelijke voorzieningen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) waarin werd vastgesteld dat appellant geen gelijkstelling met een Nederlander heeft en dus geen recht heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bevestigd.