ECLI:NL:CRVB:2017:808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang voor vreemdeling op grond van Wmo 2015
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Dit verzoek werd door het college afgewezen bij besluit van 17 maart 2015, en het bezwaar van appellant werd eveneens ongegrond verklaard bij besluit van 28 juli 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd verwezen naar artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), dat bepaalt dat vreemdelingen als appellant geen aanspraak kunnen maken op dergelijke voorzieningen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen recht heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, omdat vreemdelingen als appellant niet onder de reikwijdte van artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 vallen en ook niet gelijkgesteld zijn aan Nederlanders op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door N.R. Docter namens de Centrale Raad van Beroep op 27 februari 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.