Uitspraak
22 april 2016, 15/6978 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening bestaande uit passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 27 juli 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 9 oktober 2015, waarbij het zich baseerde op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad volgde appellante niet in haar standpunt dat zij recht heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) waarin is vastgesteld dat vreemdelingen zoals appellante niet onder de reikwijdte van artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 vallen en ook niet gelijkgesteld zijn aan Nederlanders volgens artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.
Er werd geen aanleiding gezien om appellante te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak werd op 27 februari 2017 in het openbaar gedaan door N.R. Docter, in aanwezigheid van griffier J.W.L. van der Loo.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.