Uitspraak
22 april 2016, 15/6497 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 22 april 2015 af en verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing bij besluit van 25 september 2015 ongegrond, met verwijzing naar artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, omdat zij geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat appellante geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwees naar zijn eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellante geen recht heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De aangevallen uitspraak werd daarom bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 vanwege het koppelingsbeginsel.