Uitspraak
29 april 2016, 15/6128 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 17 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 22 september 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, met verwijzing naar het koppelingsbeginsel in artikel 1.2.2 van de Wmo 2015, dat vreemdelingen als appellant geen aanspraak geeft op dergelijke voorzieningen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant niet gelijkgesteld is aan een Nederlander op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en daarom geen recht heeft op een maatwerkvoorziening volgens de Wmo 2015. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.