Uitspraak
15 april 2016, 15/5400 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 14 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 19 augustus 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015, en ook niet gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en bevestigde dat appellant geen recht heeft op een maatwerkvoorziening. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door L.M. Tobé, in aanwezigheid van griffier R.H. Budde, op 27 februari 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015.