ECLI:NL:CRVB:2017:842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang voor vreemdeling op grond van Wmo 2015
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een tijdelijke maatwerkvoorziening in de vorm van passende maatschappelijke opvang. Het college wees dit verzoek bij besluit van 22 april 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 22 september 2015, gebaseerd op artikel 1.2.2 van de Wmo 2015.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond en oordeelde dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep volgt appellante niet in haar standpunt dat zij recht heeft op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De Raad verwijst naar zijn eerdere uitspraak van 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1) en benadrukt dat appellante geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, Wmo 2015, noch gelijkgesteld is aan een Nederlander volgens artikel 2.1, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De voorzieningen die behoren tot het vreemdelingenrecht moeten toereikend zijn, waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitvoering beoordeelt.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de Wmo 2015 en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.