ECLI:NL:CRVB:2017:914

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2017
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
16/1705 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18, tweede lid WWBArt. 8, eerste lid, onderdeel b WWBArt. 78z, vierde lid ParticipatiewetArt. 9, vierde lid VerordeningArt. 10 Verordening
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens eigen schuld niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was sinds 1 augustus 2013 werkzaam als chauffeur in het leerlingenvervoer. Op 3 oktober 2014 verloor hij zijn rijbewijs wegens rijden onder invloed, waardoor zijn werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigde. Het college verlaagde daarop de bijstand over december 2014 met 100% wegens het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel, stellende dat hij zich bewust was van zijn gedrag en reeds stappen had ondernomen om herhaling te voorkomen, en ervoer de maatregel als punitief. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, stellende dat de verlaging geen bestraffende sanctie is maar een reparatoire maatregel bedoeld om gedragsverbetering te stimuleren.

De Raad oordeelde dat geen dringende redenen of persoonlijke omstandigheden aanwezig waren om de maatregel te matigen of af te zien. Ook het feit dat appellant slechts twintig uur per week werkte, rechtvaardigde geen aanpassing van de maatregel. De uitspraak bevestigt dat de maatregel proportioneel en rechtmatig is opgelegd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% wegens eigen schuld wordt bevestigd.

Uitspraak

16/1705 WWB
Datum uitspraak: 7 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
22 januari 2016, 15/4290 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Huizen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.W.J. van der Meer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. B. Hopman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
In het kader van het door het college aangeboden traject [naam traject] is appellant met ingang van 1 augustus 2013 voor twintig uur per week als chauffeur in dienstbetrekking werkzaam in het leerlingenvervoer voor [naam werkgever] (werkgever).
1.3.
Wegens rijden onder invloed heeft de politie op 3 oktober 2014 het rijbewijs van appellant ingenomen. Omdat voor de uitvoering van de werkzaamheden als chauffeur een rijbewijs noodzakelijk is, heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met appellant beëindigd.
1.4.
Bij besluit van 14 november 2014 heeft het college de bijstand van appellant over de maand december 2014 met 100% verlaagd wegens het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
1.5.
Bij besluit van 3 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 november 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant verwijtbaar zijn rijbewijs heeft verloren terwijl hij bekend was met de in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling dat deze ontbonden zou worden indien hem de rijbevoegdheid zou worden ontzegd. Er is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die aanleiding geven om de maatregel naar beneden bij te stellen noch van dringende redenen om van de maatregel af te zien.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met ingang van 1 januari 2015 is de WWB ingetrokken en vervangen door de Participatiewet (PW). Op grond van het in artikel 78z, vierde lid, van de PW opgenomen overgangsrecht is in dit geval de WWB het toetsingskader, omdat het bezwaar- of beroepschrift vóór of op 1 januari 2015 is ingediend tegen een door het bestuursorgaan op grond van de WWB genomen besluit.
4.2.
Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB bedoelde verordening is in dit geval de Afstemmingsverordening WWB 2012 (Verordening).
4.3.
Ingevolge artikel 9, vierde lid, aanhef en onder b, in verbinding met artikel 10, aanhef en onder d, van de Verordening wordt bij het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid een maatregel van 100% gedurende een maand opgelegd. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening ziet het college af van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
4.4.
Niet in geschil is dat appellant wegens rijden onder invloed zijn rijbewijs heeft verloren, dat zijn werkgever om die reden de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd en dat dit appellant te verwijten valt.
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat in zijn individuele geval de maatregel geen reparatoire werking heeft nu hij zich terdege bewust was van de consequenties van zijn gedrag en hij, onder meer door zich bij de [naam kliniek] te melden, al het mogelijke al heeft gedaan om een nieuwe misstap in de toekomst te voorkomen. De maatregel wordt door appellant als punitief ervaren.
4.6.
Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7031) kan de in dit geval opgelegde verlaging niet worden aangemerkt als een bestraffende sanctie. Met artikel 18, tweede lid, van de WWB, op grond waarvan het college bij niet nakoming van de verplichtingen gehouden is de bijstand te verlagen, heeft de wetgever beoogd het bijstandverlenend orgaan een instrument te bieden om de doelstellingen van de wet te verwezenlijken. Deze bepaling is volgens de wetgever niet bedoeld om opzettelijk leed toe te brengen - wat een van de belangrijkste kenmerken is van de bestraffende sanctie -, maar om de bijstandsgerechtigde te stimuleren om zijn of haar gedrag in de toekomst te verbeteren. De verlaging van de bijstand is gericht op het bewerkstelligen van de legale situatie en dientengevolge te kwalificeren als een reparatoire maatregel. De omstandigheid dat appellant zich realiseerde dat hij fout zat, dat hij zich voor behandeling bij de [naam kliniek] heeft gemeld en dat zijn rijbewijs weliswaar is ingenomen maar niet definitief ongeldig is verklaard, betekent niet dat het opleggen van een maatregel geen enkele zin meer had. Zolang de bijstandsverhouding tussen appellant en het college in stand blijft, kan de maatregel bijdragen aan een verantwoordelijkheidsbesef van appellant voor de voorziening in het bestaan. Bovendien heeft het college met de maatregel niet beoogd om het alcoholgebruik van appellant te beïnvloeden, maar, zoals door de gemachtigde van het college ter zitting is toegelicht, om appellant te bewegen er in de toekomst alles aan te doen om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden. Dat appellant de opgelegde maatregel zelf als straf ervaart, leidt niet tot een ander oordeel.
4.7.
In de aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de gezinssituatie van appellant en zijn financiële situatie is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien de maatregel te matigen dan wel van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. Evenmin zijn daarin dringende redenen gelegen die daartoe aanleiding zouden moeten geven. Dat het college deze omstandigheden in het primaire besluit van 14 november 2014 niet zichtbaar heeft meegewogen, zo appellant stelt, laat onverlet dat het college deze omstandigheden in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken heeft. Verwezen wordt naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften dat een integraal onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Evenmin heeft het college aanleiding moeten zien de maatregel te matigen gelet op de omstandigheid dat appellant maar twintig uur per week werkte, terwijl de maatregel 100% van de bijstandsnorm bedraagt. Immers, een maatregel van 100% leidt zowel bij aanvullende als bij volledige bijstand tot het niet uitbetalen van de bijstand over een maand.
4.8.
Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) C. Moustaïne

HD