ECLI:NL:CRVB:2017:989
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ziekteverzuimrisico en toekenning WAO-uitkering bij psychische klachten
Appellante, sinds 1985 werkzaam als kas/baliemedewerkster, viel in 1997 uit wegens psychische klachten en ontving een WAO-uitkering van 80-100%. Na herbeoordelingen en een periode van werken bij de politie, waarbij zij zich ziek meldde met psychische klachten, vroeg zij in 2013 een WAO-uitkering aan op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het Uwv weigerde deze, waarna appellante bezwaar maakte en een psychiater inschakelde die een hoog ziekteverzuimrisico inschatte.
De rechtbank stelde vast dat de inschatting van het ziekteverzuimrisico door de psychiater hypothetisch was en niet op concrete feiten was gebaseerd. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om het hoge verzuimrisico te volgen. Uit de ziekteverzuimadministratie bij de politie blijkt geen structureel excessief verzuim, mede omdat het werk te belastend was.
De Raad concludeert dat appellante met haar beperkingen de voorgestelde functies kan uitoefenen en dat het ziekteverzuimrisico niet zo hoog is dat een werkgever niet in redelijkheid tot tewerkstelling kan worden verplicht. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, waarbij het ziekteverzuimrisico onvoldoende is voor toekenning van een WAO-uitkering boven 15%.