ECLI:NL:CRVB:2018:1059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellant ontving tot december 2014 een Ziektewetuitkering en vroeg vervolgens bijstand aan. Het college van burgemeester en wethouders van Bergen weigerde de bijstand op grond van aanwijzingen dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte bij een bedrijf in opstartfase.
Onderzoek toonde transacties en aanwezigheid bij het bedrijf aan, evenals verklaringen van appellant en getuigen die bevestigden dat appellant werkzaamheden verrichtte, hoewel het bedrijf nog niet officieel open was. Appellant ontkende inkomsten te ontvangen en stelde dat het vrijwilligerswerk betrof.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college terecht aannam dat appellant werkzaamheden verrichtte die het recht op bijstand uitsluiten en dat de omvang van deze werkzaamheden niet schattenderwijs kon worden vastgesteld. Appellant kon zijn arbeidsongeschiktheid niet met stukken onderbouwen. De afwijzing van de bijstandaanvraag bleef daarom in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte.