Uitspraak
16.7637 WW
OVERWEGINGEN
€ 600,-.
BESLISSING
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 juni 2016 gegrond en vernietigt dat besluit voor
- stelt het bedrag van de boete vast op € 599,88 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf mei 2014 een WW-uitkering en verrichtte vanaf september 2015 werkzaamheden bij een stichting zonder dit aan het Uwv te melden. Het Uwv herzag de uitkering en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde de boete.
In hoger beroep stelde appellant dat hij dacht dat het om een stage ging en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat het Uwv na 1 juli 2015 anders zou handelen. De Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht ook na die datum onverminderd geldt en dat het niet melden van werkzaamheden verwijtbaar is.
De Raad bevestigde dat de boete terecht werd vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, maar paste het bedrag aan naar €599,88 conform het nieuwe Boetebesluit socialezekerheidswetten. De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde de boete op dit lagere bedrag vast. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over het te veel betaalde boetebedrag.
Uitkomst: De boete wegens niet gemelde werkzaamheden tijdens de WW-uitkering wordt vastgesteld op €599,88 en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente.