ECLI:NL:CRVB:2018:1134
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling
Appellant, geboren in 1937, verzocht om een periodieke uitkering en huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder kende appellant een invaliditeitsuitkering toe maar wees het verzoek om huishoudelijke hulp af wegens het ontbreken van medische noodzaak. In bezwaar werd het beroep deels gegrond verklaard: appellant kwam in aanmerking voor één dagdeel hulp, maar dit werd niet toegekend omdat hij reeds hulp ontvangt op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo) en slechts één voorziening kan worden toegekend.
De Raad toetste de medische adviezen van geneeskundig adviseurs Roelofs, Kho en Ohlenschlager en concludeerde dat er geen medische noodzaak is voor meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp. Bezwaren van appellant over de mate van arbeidsongeschiktheid en concentratieproblemen werden niet gevolgd, mede omdat deze klachten niet causaal verband houden met het oorlogsletsel.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat appellant reeds in een gelijktijdige Wubo-procedure een vergoeding had ontvangen en geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangetoond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.