ECLI:NL:CRVB:2018:1160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.T. van den Corput
- H. Benek
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte loopbaanpremie bij herplaatsingskandidaat in substantieel bezwarende functie
Betrokkene was werkzaam in diverse substantieel bezwarende (SB) functies binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en had in de periode van 22 november 2004 tot 1 augustus 2005 de status van herplaatsingskandidaat, maar bleef feitelijk werkzaam in een SB-functie. Hij vroeg een loopbaanpremie aan op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie.
De Minister van Justitie en Veiligheid kende aanvankelijk een loopbaanpremie van 80% toe, maar wijzigde dit besluit later tot 130%, waarbij hij uitging van de formele aanstellingstermijn in een SB-functie. De rechtbank oordeelde dat het begrip 'indiensttreding' in artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling ook de feitelijke situatie omvat en kende betrokkene een loopbaanpremie van 150% toe.
De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep van de Minister af. De Raad motiveert dat de restrictieve uitleg van de Minister geen steun vindt in de regeling of de toelichting en niet strookt met het doel van de regeling om uitstroom uit SB-functies te stimuleren. De Raad veroordeelt de Minister tot betaling van proceskosten en heft griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van een redelijke uitleg van de regeling, waarbij feitelijke diensttijd in een SB-functie bepalend is voor de hoogte van de loopbaanpremie, ook tijdens de status van herplaatsingskandidaat.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de Minister af, waardoor betrokkene recht heeft op een loopbaanpremie van 150%.