ECLI:NL:CRVB:2018:1319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellant, houder van de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, ontving kinderbijslag voor meerdere uitwonende kinderen. Na een huisbezoek en onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd vastgesteld dat appellant vanaf het tweede kwartaal van 2013 niet langer recht had op kinderbijslag omdat hij niet langer ingezetene van Nederland was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde aan dat hij een zelfstandige huurwoning had en het grootste deel van de tijd in Nederland verbleef, en dat de Svb het bewijs voor het ontbreken van ingezetenschap moest leveren. De Raad volgde echter de rechtbank en de Svb in de beoordeling dat de Nederlandse nationaliteit en inschrijving in de GBA onvoldoende zijn om ingezetenschap aan te nemen, mede gelet op het feit dat het geregistreerde adres werd bewoond door anderen en de paspoortstempels een langdurig verblijf in Marokko en frequente reizen tussen beide landen aantonen.
Verder oordeelde de Raad dat appellant onvoldoende geloofwaardige feiten of omstandigheden had aangevoerd die het tegendeel aannemelijk maken. Ook voor het tweede en derde kwartaal van 2014 werd het recht op kinderbijslag afgewezen omdat appellant geen wijziging in zijn woonsituatie aannemelijk had gemaakt. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.