Appellante was werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting en had een relatie met een (ex-)justitiabele. In haar woning werd een hennepkwekerij met circa 1.500 planten en wapens aangetroffen, waarna zij werd ontslagen wegens plichtsverzuim. Dit ontslag werd eerder bevestigd door de Raad in 2016.
Appellante vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het ontslag een dringende reden vormde en appellante verwijt treft.
In hoger beroep voerde appellante aan niet op de hoogte te zijn geweest van het criminele verleden van haar partner en de omvang van de hennepkwekerij. De Raad achtte dit ongeloofwaardig en bevestigde dat zij haar werkgever had moeten informeren over wat zij wel wist.
De Raad concludeerde dat het ontslag niet onevenredig was en dat de werkgever voortvarend had gehandeld. Appellante was verwijtbaar werkloos en de WW-uitkering werd terecht geweigerd. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.