Uitspraak
16.326 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als pedagogisch medewerker, werd sinds 2010 arbeidsongeschikt gemeld vanwege ernstige psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV stelde later vast dat haar mate van arbeidsongeschiktheid was gedaald, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld, onder meer omdat haar behandelend psychiater een ernstiger beeld schetste.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling had verricht, waarbij rekening was gehouden met de kwetsbaarheid van appellante en haar beperkingen adequaat waren vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had waarom het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd gevolgd en vroeg om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had alle relevante medische informatie betrokken en overtuigend gemotiveerd waarom geen urenbeperking noodzakelijk was. De aanvullende informatie van de behandelaar bood geen nieuwe aanknopingspunten. Ook de arbeidsdeskundige had inzichtelijk gemaakt dat appellante met haar beperkingen de functies kon vervullen. Het hoger beroep werd afgewezen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante.