Betrokkene was sinds 1992 in dienst bij de gemeente Almere en liep in 1996 een dienstongeval op waarbij zijn linkerbeen ernstig werd beschadigd. Diverse medische rapporten, waaronder die van verzekeringsarts Van der Planken, stelden vast dat de arbeidsongeschiktheid grotendeels terug te voeren is op dit ongeval, ondanks eerdere fracturen en andere gezondheidsproblemen.
Appellant verleende betrokkene ontslag wegens ziekte en weigerde een aanvullende uitkering op grond van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling, stellende dat de arbeidsongeschiktheid niet in overwegende mate door het dienstongeval werd veroorzaakt. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat het dienstongeval de hoofdreden was voor zijn arbeidsongeschiktheid en kende de aanvullende uitkering toe.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de rol van eerdere fracturen en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad verwierp dit verzoek, oordeelde dat Van der Planken's rapport goed gemotiveerd was en dat appellant geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd om twijfel te zaaien.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant in de proceskosten van betrokkene. Tevens werd een griffierecht opgelegd.