ECLI:NL:CRVB:2018:1363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.H.M. van de Ven
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens onjuist opgegeven hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand sinds 2010 en werd beschuldigd van onjuist opgegeven hoofdverblijf. Een anonieme melding leidde tot onderzoek door het college, waarbij onder meer waterverbruik en verklaringen van buurtbewoners werden betrokken. Het college concludeerde dat appellante sinds 1 juli 2014 niet meer op het uitkeringsadres woonde en trok de bijstand in, gevolgd door een terugvordering van €7.843,73.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij voerde aan dat zij vanwege bedreigingen door haar ex-partner gedwongen was te verhuizen en dat er dringende redenen waren om terugvordering te vermijden. De Raad beoordeelde het waterverbruik als laag maar niet onaanvaardbaar laag, en concludeerde dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellante haar hoofdverblijf elders had.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende had aangetoond waar zij verbleef en dat de aangevoerde dringende redenen niet voldeden aan de criteria voor kwijtschelding. De bescherming van de beslagvrije voet bij invordering werd meegewogen. Het hoger beroep werd verworpen en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand en terugvordering bevestigd.