ECLI:NL:CRVB:2018:1379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit na ziekte met artrose linker enkel
Appellant, laatstelijk werkzaam als kast/paneelbouwer electra, meldde zich ziek wegens pijnklachten aan de linker voet en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant met beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit tot beëindiging van het ziekengeld werd door de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was en dat zijn beperkingen, waaronder het niet kunnen dragen van veiligheidsschoenen en het gebruik van een voetpedaal, onvoldoende waren meegewogen. De Raad stelde vast dat het UWV zorgvuldig onderzoek had gedaan, waarbij onder meer informatie van een orthopedisch chirurg was betrokken. De beperkingen in de FML waren adequaat vastgesteld en de arbeidsdeskundige had gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend waren.
De Raad oordeelde dat appellant niet ongeschikt was voor de in aanmerking genomen arbeid en dat de eis van het dragen van veiligheidsschoenen geen belemmering vormde, mede omdat vergoeding voor orthopedisch schoeisel mogelijk is. De eerdere ingreep aan het enkelgewricht had geen invloed op de situatie op de peildatum. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.