ECLI:NL:CRVB:2018:1393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verplichtingen
Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €26.034,64 van het Zorgkantoor. Dit bedrag werd bij besluit van het Zorgkantoor op nihil vastgesteld en teruggevorderd wegens niet-naleving van de pgb-verplichtingen en onvoldoende verantwoording van de besteding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat de administratie niet voldeed aan de eisen en niet was aangetoond dat de zorg was geleverd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het Zorgkantoor een andere belangenafweging had moeten maken, mede vanwege haar gezondheidsbeperkingen en de aard van de ontvangen zorg.
De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager heeft vastgesteld en teruggevorderd, omdat appellante de eigen verantwoordelijkheid had en feitelijk hulp kreeg bij het beheer. Een schadebeperkingsplicht van het Zorgkantoor werd niet aanvaard. De Raad concludeerde dat de belangenafweging van het Zorgkantoor redelijk was en dat de terugvordering niet leidde tot onaanvaardbare psychische gevolgen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het pgb wordt bevestigd.