Uitspraak
17.439 WUBO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1940, diende in december 2008 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat niet was gebleken dat appellant door oorlogsgeweld was getroffen. In 2016 werd erkend dat appellant oorlogsgeweld had geleden met blijvende psychische invaliditeit, waarna enkele voorzieningen werden toegekend met ingang van 1 maart 2010.
Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de toekenningen en het niet toekennen van een vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten. De Raad oordeelde dat appellant geen beperkingen ondervindt die het gebruik van openbaar vervoer zonder begeleiding onmogelijk maken, gebaseerd op medische adviezen. Het beleid van verweerder stelt dat vergoeding alleen wordt toegekend indien openbaar vervoer alleen met begeleiding mogelijk is.
Verder werd het verzoek om herziening van het eerdere besluit beoordeeld als een herzieningsverzoek op grond van artikel 61 lid 3 Wubo Pro, waarbij de ingangsdatum van de toekenningen niet verder terug kan dan vijf jaar voor het verzoek, vanwege rechtszekerheidsbeginselen en het beleid van verweerder. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de voorziening voor sociale contacten en de vastgestelde ingangsdatum blijft in stand.