Uitspraak
21.3598 AOR
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1938, diende in augustus 2020 een aanvraag in voor toekenningen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvraag bij besluit van 11 november 2020 af wegens onvoldoende bewijs dat appellante in de zin van de AOR in oorlogsomstandigheden heeft verkeerd.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de aangeleverde bewijsstukken, waaronder verklaringen van familieleden en relatiedossiers, beoordeeld. De Raad kon niet vaststellen dat appellante gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de AOR vallen. Zo was onvoldoende bevestiging van een huisuitzetting tijdens de Japanse bezetting en ontbrak overtuigend bewijs van dreigende oorlogsgeweld tijdens haar verblijf in het Ursulinenklooster.
Daarnaast werd een ingrijpende gebeurtenis, de gedwongen besnijdenis op jonge leeftijd, niet als een AOR-omstandigheid aangemerkt. De Raad benadrukte dat hoewel de AOR milde criteria hanteert, er toch bewijs nodig is van het meemaken van oorlogsgebeurtenissen. De verwijzing naar de menselijke maat en de Toeslagenaffaire gaf geen aanleiding om van de criteria af te wijken.
Gelet op het ontbreken van voldoende bewijs werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van oorlogsomstandigheden volgens de AOR.