ECLI:NL:CRVB:2018:1443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2018
Publicatiedatum
16 mei 2018
Zaaknummer
16/7649 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing maatwerkvoorziening gesloten buitenwagen op grond van Wmo 2015

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een maatwerkvoorziening voor vervoer in de vorm van een gesloten buitenwagen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees dit verzoek af, stellende dat appellant gebruik kan maken van het aanvullend openbaar vervoer (AOV), wat voor zijn situatie de goedkoopst adequate voorziening is.

Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar ongegrond, onder verwijzing naar medische adviezen van de MO-zaak waaruit bleek dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een gesloten buitenwagen, met name het ontbreken van objectief aangetoonde ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en vond dat het college zich op goede gronden had gebaseerd op de medische adviezen.

Appellant voerde in hoger beroep voornamelijk dezelfde argumenten aan, stellende dat hij vanwege zijn medische en functionele beperkingen recht heeft op een gesloten buitenwagen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om het besluit te wijzigen. Ook het ontbreken van een lichamelijk onderzoek door de medisch adviseurs maakte het medisch onderzoek niet onzorgvuldig.

De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een veroordeling in de proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een gesloten buitenwagen en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

16.7649 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2016, 16/3034 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 9 mei 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G. E. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Öz-Korkmaz, kantoorgenoot van mr. Menick. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 31 juli 2015 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de MO-zaak van 27 juli 2015, de aanvraag van appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 om een maatwerkvoorziening voor vervoer in de vorm van een gesloten buitenwagen, afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor deze voorziening. Appellant kan gebruik maken van het aanvullend openbaar vervoer (AOV), eventueel in combinatie met overige vervoersvoorzieningen, wat voor zijn situatie de goedkoopst adequate voorziening is.
1.2.
In opdracht van het college heeft de MO-zaak op 5 november 2015 aan het college een nader medisch advies uitgebracht. Dit advies is aangevuld op 3 maart 2016.
1.3.
Bij besluit van 23 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de in paragraaf 4.10.6, onder b, van de Nadere regels opgenomen voorwaarden om voor een gesloten buitenwagen in aanmerking te kunnen komen. Uit de adviezen van de MO-zaak volgt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarde dat hij objectief aangetoonde ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie heeft waardoor hij problemen ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis op de zeer korte afstand (tot 100 meter) of de iets langere afstand (tot 500 meter). Er bestaat geen contra-indicatie voor een aaneengesloten loopafstand van 500 meter. Verder volgt uit de adviezen van de MO-zaak dat het collectief vervoer een adequate oplossing kan zijn voor de vervoersproblemen van appellant. Appellant kan in staat worden geacht gebruik te maken van het AOV waarvoor hij een AOV-pas gekregen.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant op grond van medische en functionele beperkingen niet is aangewezen op een gesloten buitenwagen. Niet is gebleken dat de adviezen van de MO-zaak wat de wijze van totstandkoming en de inhoud betreft niet deugdelijk zouden zijn. Uit de adviezen blijkt dat medische informatie van de behandelaars van appellant bij de totstandkoming daarvan is betrokken. Appellant heeft in beroep geen medische stukken overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de adviezen. Het college heeft daarom mogen afgaan op de adviezen van de MO-zaak. De daarvan getrokken conclusie is dat een loopafstand van minder dan 500 meter medisch niet valt te onderbouwen. Verder is daarin geconcludeerd dat er geen contra-indicaties zijn voor een open vervoermiddel of voor het meereizen met derden. De stelling van appellant dat collectief vervoer in zijn geval geen adequate oplossing is, omdat de ervaring leert dat sprake is van zeer lange wachttijden, slaagt niet. Het college heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat appellant door het collectief vervoer wordt vervoerd vanaf de deur van zijn woning tot aan de deur van het bestemmingsadres, dat hij een rit tot een uur van tevoren kan bestellen en dat de vervoerder hem dan binnen een kwartier of een kwartier na de afgesproken tijd zal ophalen. De rechtbank heeft een zekere wachttijd voor het AOV op zichzelf niet onredelijk bezwarend geacht. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen verweerder omtrent de wachttijden naar voren heeft gebracht niet klopt of dat dit het AOV zodanig gebrekkig maakt dat dit niet als adequaat vervoermiddel kan worden aangemerkt.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft in hoger beroep voornamelijk herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Volgens appellant is hij op grond van zijn medische en functionele beperkingen op een gesloten buitenwagen aangewezen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de gronden van het beroep en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen reden gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De omstandigheid dat de medisch adviseurs geen lichamelijk onderzoek bij appellant hebben uitgevoerd, maakt niet dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.
4.2.
Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) R.H. Budde

TM