ECLI:NL:CRVB:2018:1444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling behandelmogelijkheden en toekenning Wmo-voorzieningen bij chronisch pijnsyndroom
Appellant, lijdend aan een chronisch pijnsyndroom en functiestoornis in de benen, verzocht het college om Wmo-voorzieningen zoals een aangepaste douche, traplift, handbike en rolstoel. Het college wees dit af op basis van medische adviezen waarin werd gesteld dat behandeling nog mogelijk en niet zinloos was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat behandeling niet met zijn werk te combineren was en dat het weigeren van behandeling hem tegen kon worden gehouden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat behandeling weinig effect zou hebben en dat hij zijn werk mocht laten prevaleren.
De Raad oordeelde dat de medische adviezen zorgvuldig waren en dat er geen aanleiding was een deskundige te benoemen. Uit de stukken bleek dat appellant zich had gemeld bij behandelcentra en dat er nog reële behandelmogelijkheden waren. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college mag de Wmo-voorzieningen weigeren omdat behandeling nog mogelijk is.