ECLI:NL:CRVB:2018:146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens beschikking over grote sommen geld bij samenwonende broers
Appellant en zijn broer ontvingen vanaf januari 2013 bijstand volgens de norm voor gehuwden, terwijl zij samenwoonden op hetzelfde adres. Na een politie-inval waarbij grote hoeveelheden drugs en contant geld werden gevonden, startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand.
Het college trok de bijstand in per 24 januari 2013 wegens het bezit van grote sommen geld en het niet melden daarvan. De rechtbank vernietigde dit besluit voor de periode tot 17 februari 2013, maar handhaafde het voor de periode daarna omdat appellant en zijn broer niet konden aantonen waar het geld vandaan kwam.
In hoger beroep stelde appellant dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde en geen weet had van de criminele activiteiten van zijn broer. De Raad verwierp deze bezwaren omdat het college expliciet de bijstand had toegekend op basis van een gezamenlijke huishouding en de bijstandsnorm voor gehuwden. Volgens vaste rechtspraak worden partners in gezinsbijstand als één eenheid gezien, waardoor onbekendheid met de financiële situatie van de ander niet tot vrijstelling leidt.
De Raad benadrukte dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat verwijtbaarheid niet relevant is. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens het niet melden van grote sommen geld door twee samenwonende broers.