ECLI:NL:RBGEL:2025:11456

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
ARN 25_509
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van bijstand op grond van schending inlichtingenverplichting en evenredigheidsbeginsel

Deze uitspraak betreft de intrekking van het recht op bijstand van eiseres en haar broer op basis van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 mei 2024. Eiseres is het niet eens met deze intrekking en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft beoordeeld of het college terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken. De rechtbank concludeert dat het college dit terecht heeft gedaan, omdat eiseres het verantwoordingsformulier niet heeft ingevuld en ingeleverd, wat een schending van de inlichtingenverplichting inhoudt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en dat de gehuwdennorm onterecht op haar en haar broer van toepassing is. De rechtbank oordeelt echter dat de gehuwdennorm in dit geval wel degelijk van toepassing is en dat eiseres en haar broer een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank stelt vast dat de bewijslast voor de intrekking van de bijstand bij het college ligt, maar dat het college voldoende bewijs heeft geleverd dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking van de bijstand niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat de wet in dit geval geen ruimte biedt voor een individuele afweging van de persoonlijke omstandigheden van eiseres. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de intrekking van de bijstand rechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H. Sala),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, het college

(gemachtigde: M. Haverkort).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiseres en haar broer op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 mei 2024. Eiseres is het niet eens met deze intrekking. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht het recht op bijstand van eiseres en haar broer met ingang van 1 mei 2024 heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht het recht op bijstand van eiseres en haar broer met ingang van 1 mei 2024 heeft ingetrokken. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 30 juli 2024 het recht op bijstand van eiseres en haar broer met ingang van 1 mei 2024 ingetrokken. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college is met het bestreden besluit van 10 december 2024 op het bezwaar van eiseres bij de intrekking van het recht op bijstand gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Op 22 oktober 2025 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de intrekking van het recht op bijstand van eiseres en haar broer op grond van de Pw met ingang van 1 mei 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Met het bestreden besluit heeft het college ook besloten dat het bezwaar van eiseres tegen de stopzetting van de reiskostenvergoeding voor het volgen van inburgeringslessen ongegrond is. Eiseres heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres en haar broer ontvingen sinds 15 februari 2023 bijstand naar de norm van gehuwden. Op 17 mei 2024 heeft het college eiseres het verantwoordingsformulier over mei 2024 toegezonden en verzocht om deze uiterlijk 3 juni 2024 volledig en correct en door beiden ondertekend te overleggen, net als de daarbij gevraagde bijlagen. Dit formulier heeft het college niet ontvangen. Het college heeft daarom bij besluit van 18 juni 2024 het recht op bijstand van eiseres en haar broer per 1 mei 2024 opgeschort en hen een hersteltermijn gegeven tot uiterlijk 25 juni 2024. Op 24 juni 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres, haar broer en inkomensconsulenten van de gemeente. Met het besluit van 30 juli 2024 heeft het college het recht op bijstand van eiseres en haar broer ingetrokken op grond van artikel 17, tweede lid, van de Pw in samenhang gelezen met artikel 53, derde lid, van de Pw. Eiseres heeft namelijk het verantwoordingsformulier van mei 2024 niet alsnog volledig en ondertekend ingeleverd. Eiseres heeft in het gesprek van 24 juni 2024 aangegeven dat zij per 1 mei 2024 geen bijstand meer wil. Ook heeft eiseres verklaard dat zij om die reden het verantwoordingsformulier niet zal invullen en ondertekenen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
4.1.
Het college heeft het bezwaar met het bestreden besluit van 18 december 2024 ongegrond verklaard. Wel heeft het college de intrekking van het recht op bijstand gebaseerd op een andere grondslag, namelijk artikel 17, eerste lid, van de Pw in samenhang gelezen met artikel 54, derde lid, van de Pw. Ook heeft het college een aanvullende motivering gegeven. Volgens het college is het niet ingevuld en ondertekend inleveren van het verantwoordingsformulier een schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Hierdoor kan het college het recht op bijstand niet vaststellen per 1 mei 2024. Ook kan het college de bijstand niet schattenderwijs vaststellen. Eiseres en haar broer hebben namelijk wisselende inkomsten uit arbeid. Eiseres heeft geen inlichtingen verstrekt over de omvang van haar inkomsten en ook niet over eventuele bijschrijvingen/stortingen van derden van ongeveer € 11.000 die zij en haar broer nog voor de intrekkingsdatum hebben gehad.
Schending inlichtingenverplichting
5. Eiseres voert aan dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden dan wel dat dit haar niet verweten kan worden. Zij betoogt daartoe allereerst dat toepassing van de gehuwdennorm onjuist is. Zij en haar broer staan namelijk slechts op hetzelfde adres ingeschreven. Zij zorgen niet voor elkaar en delen niet hetzelfde huishouden. Haar broer verblijft bovendien veel bij zijn vriendin in Groningen. Eiseres kan zich daarom niet verantwoorden voor de informatie die haar broer heeft verstrekt en kan geen inlichtingen van haar broer verstrekken zonder zijn medewerking. Omdat het college dit wel van haar verlangde, voelde eiseres zich onder druk gezet om haar recht op bijstand tegen haar wil te beëindigen.
Daarnaast betoogt eiseres dat ook als de gehuwdennorm rechtsgeldig is, de gehuwdennorm maakt dat bij inlichtingenverstrekking medewerking nodig is van haar broer. Vanwege de slechte relatie tussen eiseres en haar broer konden zij niet het verantwoordingsformulier samen invullen. Het recht op bijstand zou vast te stellen zijn als eiseres alleen haar eigen inlichtingen en niet die van haar broer hoeft te verstrekken. Eiseres is hiertoe alsnog bereid. In dat kader had het college moeten onderzoeken, waarom eiseres weigerde de inlichtingen te verstrekken en of zij en haar broer een huishouden delen.
5.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 mei 2024 tot en met 30 juli 2024.
5.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandsverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. [1] In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat eiseres in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet het verantwoordingsformulier in te vullen, waardoor het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet is vast te stellen.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres het verantwoordingsformulier niet heeft ingevuld en ondertekend.
5.4.
De rechtbank stelt verder vast dat het college het recht op bijstand niet heeft ingetrokken, omdat eiseres zelf zou hebben aangegeven het recht op bijstand te willen beëindigen. Uit het bestreden besluit volgt namelijk dat het college het recht op bijstand heeft ingetrokken, omdat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het verantwoordingsformulier niet in te vullen en te ondertekenen.
5.5.
De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het betoog van eiseres dat zij de inlichtingen niet kan verstrekken, omdat aan haar en haar broer ten onrechte bijstand is verleend naar de gehuwdennorm, slaagt niet. Deze bijstandsnorm is namelijk vastgesteld in het besluit van 21 februari 2023. Als eiseres het oneens was met deze bijstandsnorm, dan had het op haar weg gelegen om hiertegen bezwaar te maken of om een nieuwe aanvraag in te dienen. [2] Dat eiseres, zoals ze tijdens de zitting heeft verklaard, dit niet heeft kunnen doen omdat sprake was van een taalbarrière, volgt de rechtbank niet. Dit betekent dat de bijstandsnorm in rechte vaststond en eiseres en haar broer een gezamenlijke huishouding voerden in de te beoordelen periode.
De grond dat eiseres geen inlichtingen van haar broer zou kunnen verstrekken vanwege hun slechte relatie, slaagt ook niet. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt namelijk dat de beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich niet met succes kunnen beroepen op onbekendheid met activiteiten en de financiële situatie van de ander. Ook de weigering van één van de partners om mee te werken aan het verstrekken van inlichtingen komt voor rekening en risico van beide partners. [3] Eiseres kan zich er dus niet op beroepen dat zij zich niet kan verantwoorden voor de informatie die haar broer heeft verstrekt en dat zij geen inlichtingen van haar broer zonder zijn medewerking kan verstrekken. Bovendien blijkt uit de stukken dat haar broer wel het formulier heeft ingevuld en ondertekend.
De rechtbank oordeelt tot slot dat de inlichtingenverplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Eiseres heeft op het verantwoordingsformulier niet ingevuld of en hoeveel inkomsten zij had in de gevraagde periode en wat voor inkomsten dit waren. Ook daarna heeft zij dit niet gedaan. Dit is echter wel van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Eiseres is er in het toekenningsbesluit en het opschortingsbesluit ook op gewezen dat dit een wettelijke verplichting is. Het college hoefde dus niet te onderzoeken waarom eiseres weigerde de inlichtingen te verstrekken zoals eiseres stelt. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Evenredigheidsbeginsel
6. Eiseres voert tot slot aan dat de intrekking van het recht op bijstand de evenredigheidstoets die volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet kan doorstaan. Het college had, alvorens over te gaan tot intrekking, een individuele afweging moeten maken en rekening moeten houden met haar persoonlijke en financiële situatie. Door de onterechte beëindiging van haar bijstand was eiseres genoodzaakt een baan te zoeken, bovenop haar inburgeringscursus. Eiseres is inburgeringsplichtig en bevond zich in een kwetsbare positie, waarbij het vinden van een betaalde baan ten koste zou gaan van haar inburgeringstraject. Dit is relevant, aangezien eiseres de lening voor haar inburgering moet terugbetalen wanneer zij deze niet afrondt, en een boete kan worden opgelegd als zij haar inburgering niet binnen de gestelde termijn voltooit.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op het verplichte karakter van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw bestaat in beginsel geen ruimte voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank mag een wet in formele zin niet toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Dit volgt uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Dit betekent dat de rechtbank niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit ligt anders als de wetgever bij de totstandkoming van een wet bijzondere omstandigheden niet of niet volledig onder ogen heeft gezien en die omstandigheden meebrengen dat strikte toepassing van de wet zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. In dat geval kan de rechtbank de wet in een concreet geval buiten toepassing laten wegens strijd met algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, of (ander) ongeschreven recht. [4] De rechtbank ziet in dat wat door eiseres is aangevoerd geen bijzondere, door de wetgever niet-verdisconteerde, omstandigheden op grond waarvan de verplichte intrekking wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet blijven. Verder biedt artikel 54 van de Pw ook geen ruimte om (deels) af te zien van intrekking vanwege het bestaan van dringende redenen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht het recht op bijstand van eiseres en haar broer met ingang van 1 mei 2024 heeft ingetrokken. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2283.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:146, r.o. 4.2.1 en van 3 mei 2022 ECLI:NL:CRVB:2022:1030, r.o. 4.2.
3.Zie bv. 26 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3923 en 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2594.
4.Zie bv. de uitspraak van de CRvB van 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798.