ECLI:NL:CRVB:2018:1487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag vervoersvoorziening en passendheid collectief aanvullend vervoer
Appellant, bekend met long- en rugklachten, vroeg op grond van de Wmo 2015 een vervoersvoorziening aan in de vorm van een bruikleenauto. Het college wees de aanvraag af omdat appellant gebruik kan maken van collectief aanvullend vervoer via een taxibus. Na bezwaar en medisch advies van de GGD, dat stelde dat appellant medisch gezien in staat is het openbaar vervoer te gebruiken, maar zich niet staande kan houden in een rijdend voertuig, handhaafde het college het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de verklaring van de longarts onvoldoende onderbouwing bood om het GGD-advies te weerleggen. Appellant stelde in hoger beroep dat de longarts had geadviseerd om individueel te reizen en dat de taxibus daardoor niet passend was.
De Raad oordeelde dat de verklaring van de longarts inderdaad aanleiding geeft tot twijfel aan het GGD-advies en dat het college het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Desondanks blijft de afwijzing in stand omdat appellant gebruik kan maken van collectief vervoer in individuele vorm, zonder andere passagiers, wat een passende bijdrage levert aan zelfredzaamheid en participatie.
Verder faalde het beroep van appellant dat hij met zijn kinderen moest kunnen reizen en dat hij naar Duitsland wilde rijden, aangezien dit geen lokaal vervoer betreft. De Raad veroordeelde het college in de proceskosten en wees het hoger beroep af met verbetering van gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college mag de aanvraag voor een bruikleenauto afwijzen omdat collectief vervoer in individuele vorm passend is.