ECLI:NL:CRVB:2018:1510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nieuw besluit terugvordering bijstand na gezamenlijke huishouding
In deze zaak gaat het om een beroep van appellante tegen een nieuw besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin een bedrag van €8.284,59 aan bijstand is teruggevorderd over de periode van 30 december 2012 tot en met 30 september 2013.
Eerder had de Raad bij uitspraak van 21 februari 2017 geoordeeld dat appellante vanaf 30 december 2012 een gezamenlijke huishouding voerde, maar dat voor de periode 1 tot en met 29 december 2012 geen toereikende grondslag voor intrekking van bijstand bestond. Het college werd toen opgedragen een nieuwe berekening te maken en opnieuw te beslissen op bezwaar.
Het college heeft dit gedaan en het nieuwe besluit genomen. Appellante voerde aan dat zij ten onrechte als gezamenlijke huishouding werd aangemerkt en dat de intrekking van bijstand in deze procedure nog in geschil is. De Raad oordeelt echter dat deze inhoudelijke beoordeling reeds definitief is en niet opnieuw aan de orde kan komen.
De Raad verklaart het beroep daarom ongegrond en wijst het af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het nieuwe terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard.