ECLI:NL:CRVB:2018:1523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens ontbreken noodzaak permanent toezicht
Appellante, geboren in 1942, diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het CIZ werd afgewezen wegens het ontbreken van een medische noodzaak voor permanent toezicht of 24-uurs zorg. De medisch adviseur stelde dat de somatische beperkingen van appellante deze zorg niet vereisten en dat een mogelijke psychogeriatrische grondslag nog nader onderzocht moest worden.
Na een bezwaarprocedure en aanvullend geriatrisch onderzoek concludeerde de geriater dat sprake was van een cognitieve stoornis, mogelijk dementieel van vasculaire oorsprong, maar zonder duidelijke aanwijzingen voor een psychogeriatrische grondslag die permanente zorg rechtvaardigt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de medische adviezen zorgvuldig waren en dat appellante niet was aangewezen op permanent toezicht.
In hoger beroep voerde appellante aan dat op basis van aanvullende medische rapporten wel sprake was van een psychogeriatrische grondslag, maar de Raad oordeelde dat de beschikbare medische gegevens dit niet aannemelijk maakten. Bovendien was appellante in staat zelf op relevante momenten hulp in te roepen via een voorgeprogrammeerde telefoon, waardoor ernstig nadeel bij wachten op zorg niet aannemelijk was.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag voor langdurige zorg wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat appellant permanent toezicht of 24-uurs zorg nodig heeft.