ECLI:NL:CRVB:2018:1746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek Wubo wegens ontbreken nieuwe feiten en objectieve bevestiging
Appellant, geboren in 1935, heeft sinds 2000 herhaaldelijk verzocht om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Alle aanvragen en verzoeken tot herziening zijn afgewezen omdat niet is aangetoond dat appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals vereist onder de Wubo.
De Centrale Raad van Beroep toetst het bestreden besluit terughoudend vanwege de discretionaire bevoegdheid van verweerder om besluiten te herzien. De Raad stelt vast dat geen nieuwe feiten of gegevens zijn aangevoerd die een andere beslissing rechtvaardigen. Het overgelegde rapport van arts G.J. Laatsch betreft slechts een vermoeden en geen objectieve bevestiging van oorlogsgeweld.
De Raad benadrukt dat een eigen verklaring zonder objectieve ondersteuning onvoldoende is om de gestelde oorlogsgebeurtenissen als vaststaand te accepteren. Ook de erkenning in het kader van de ruimere Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) leidt niet tot een ander oordeel.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en zijn er geen proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzende herzieningsbesluit Wubo wordt ongegrond verklaard.