ECLI:NL:CRVB:2018:1746

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2018
Publicatiedatum
13 juni 2018
Zaaknummer
17/3314 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wubo
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek Wubo wegens ontbreken nieuwe feiten en objectieve bevestiging

Appellant, geboren in 1935, heeft sinds 2000 herhaaldelijk verzocht om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Alle aanvragen en verzoeken tot herziening zijn afgewezen omdat niet is aangetoond dat appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals vereist onder de Wubo.

De Centrale Raad van Beroep toetst het bestreden besluit terughoudend vanwege de discretionaire bevoegdheid van verweerder om besluiten te herzien. De Raad stelt vast dat geen nieuwe feiten of gegevens zijn aangevoerd die een andere beslissing rechtvaardigen. Het overgelegde rapport van arts G.J. Laatsch betreft slechts een vermoeden en geen objectieve bevestiging van oorlogsgeweld.

De Raad benadrukt dat een eigen verklaring zonder objectieve ondersteuning onvoldoende is om de gestelde oorlogsgebeurtenissen als vaststaand te accepteren. Ook de erkenning in het kader van de ruimere Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) leidt niet tot een ander oordeel.

Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en zijn er geen proceskosten toe te kennen.

Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzende herzieningsbesluit Wubo wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

17.3314 WUBO

Datum uitspraak: 31 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 maart 2017, kenmerk BZ011043030 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1935, heeft in augustus 2000 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit 29 juni 2001, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 januari 2002, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. In dat verband is overwogen dat niet is gebleken dat appellant direct betrokken is geweest bij bombardementen op Bandung en dat, buiten de eigen verklaring van appellant geen bevestiging is verkregen van een directe betrokkenheid bij gevechten tussen Nederlandse militairen en Indonesische nationalisten. Het tegen het besluit van 29 januari 2002 ingestelde beroep is door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraak van 22 mei 2003, nummer 02/1582 WUBO.
1.2.
Op een in november 2003 ingediend verzoek van appellant om de eerdere afwijzing te herzien is door verweerder afwijzend beslist bij besluit van 7 januari 2004 op de grond dat appellant geen van belang zijnde nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding geven de eerdere afwijzing te herzien. Tegen het besluit van 7 januari 2004 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Bij besluit van 17 juli 2014 heeft verweerder afwijzend beslist op een hernieuwd verzoek van februari 2014 om de eerdere afwijzing te herzien. Daartoe is opnieuw overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. Ook tegen het besluit van 17 juli 2014 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.4.
In juni 2016 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 27 oktober 2016 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellant bij zijn verzoek en ook tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding geven om de eerdere afwijzing te herzien. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken van een directe betrokkenheid bij bombardementen op Bandoeng. Verder is overwogen dat geen bevestiging is verkregen van een vlucht van appellant met zijn oma naar Sumedang en dat bovendien niet is gebleken dat deze vlucht plaatsvond vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden.
2. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of er nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.
2.2.
Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. Nog afgezien van het feit dat van de gestelde vlucht naar Sumedang geen bevestiging is verkregen, laat het relaas van appellant op dit punt niet zien dat er sprake is geweest van een vlucht vanuit of onder levensbedreigende omstandigheden. Verder is er ook nu geen bevestiging van verkregen dat appellant persoonlijk direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1723) is een eigen verklaring van een betrokkene, zonder dat er andere, objectieve gegevens zijn die de verklaring ondersteunen, onvoldoende om de door een aanvrager gestelde gebeurtenissen als vaststaand te kunnen aanvaarden. Dat gebeurtenissen passen binnen de historische context maakt dat niet anders. De erkenning van appellant in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien de AOR ruimere criteria kent voor het aanvaarden van oorlogsgebeurtenissen dan de Wubo. Dat in de AOR-gegevens wellicht gebeurtenissen worden beschreven die mogelijkerwijs onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht wordt niet aannemelijk geacht. Hierbij wordt doorslaggevend geacht dat, zoals van de zijde van verweerder ter zitting is gesteld, de AOR-erkenning heeft plaatsgevonden op grond van de Wubo-gegevens.
2.3.
In beroep heeft appellant een rapport overgelegd van de arts G.J. Laatsch. Deze arts heeft appellant onderzocht op verzoek van de gemachtigde van appellant in het kader van deze aanvraag en de aanvraag op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Gesteld wordt dat de bevindingen van Laatsch bijdragen aan het standpunt dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. De Raad kan dit niet volgen. Het rapport van Laatsch betreft in dit kader niet meer dan het uiten van een vermoeden dat appellant oorlogsgebeurtenissen in de zin van de Wubo heeft meegemaakt, gebaseerd op een met appellant gehouden gesprek. Van een objectieve bevestiging als bedoeld onder 2.2 is geen sprake.
2.4.
Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2018.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) J. Smolders
IvR