ECLI:NL:CRVB:2018:1769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging toeslag AOW wegens duurzaam gescheiden leven
Appellant ontving een toeslag op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). In september 2014 meldde zijn echtgenote dat zij sinds september 2013 niet meer bij appellant woonde en een echtscheidingsprocedure was gestart. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) schortte daarop de toeslag op en vroeg nadere inlichtingen over de woonsituatie.
De rechtbank van eerste aanleg te [plaatsnaam] oordeelde dat appellant zijn echtgenote op 1 februari 2013 uit de woning had verjaagd en sindsdien niet meer in het levensonderhoud van haar en hun vijf kinderen voorzag. De rechtbank verplichtte appellant tot alimentatie en sprak later de echtscheiding uit. De Svb beëindigde de toeslag per 1 februari 2013 en vorderde ten onrechte betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond vanwege onvoldoende overtuigende tegenbewijsverklaringen. In hoger beroep stelde appellant opnieuw dat hij tot de echtscheiding met zijn echtgenote had samengewoond. De Centrale Raad van Beroep zag echter geen reden om het oordeel van de rechtbank te wijzigen, omdat de stukken en oordelen van de rechtbank te [plaatsnaam] doorslaggevend waren en de tegenbewijsverklaringen onvoldoende waren.
De Raad bevestigde daarom de beëindiging van de toeslag wegens duurzaam gescheiden leven en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 1 februari 2013 duurzaam gescheiden leeft en wijst het hoger beroep tegen beëindiging van de toeslag af.