Appellant ontving een AOW-pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde met toeslag voor zijn echtgenote. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen omdat appellant duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en legde een boete op wegens het niet melden hiervan. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de boete niet evenredig was aan zijn draagkracht en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de verwijtbaarheid van de schending vaststond en dat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie om de boete te matigen. Uit stukken bleek dat appellant de boete kon betalen en deze inmiddels had voldaan.
De Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar minder dan een jaar, wat leidde tot een boetevermindering van € 410,65. De boete werd vastgesteld op € 3.695,87. Omdat de overschrijding volledig aan de Svb te wijten was, werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.