ECLI:NL:CRVB:2018:1775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante, werkzaam als ondersteunend conciërge, meldde zich in 2006 ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellante ging in beroep, waarbij deskundigen verschillende beperkingen beoordeelden. Prof. Van Marle concludeerde dat geen urenbeperking nodig was, wat door de arbeidsdeskundige Van der Ham werd bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de deskundigen onvoldoende rekening hielden met haar beperkingen en vroeg zij om een onafhankelijke verzekeringsarts. De Raad oordeelde dat de rapporten consistent en inzichtelijk waren en dat inschakeling van een onafhankelijke arts niet nodig was. De functie van inpakster koekjes werd als irrelevant beschouwd omdat de beoordeling op andere functies was gebaseerd.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met bijna vier en een half jaar was overschreden, geheel toe te rekenen aan de bestuursrechter. Op grond hiervan werd een schadevergoeding van €4.500 toegekend aan appellante. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €4.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.