ECLI:NL:CRVB:2018:183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken processueel belang en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn
Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van de korpschef betreffende de toekenning en overgang naar een LFNP-functie, nadat de rechtbank Noord-Holland het beroep ongegrond had verklaard. Tijdens de procedure gaf appellant aan de inhoudelijke beroepsgronden niet langer te handhaven, waardoor hij geen processueel belang meer had bij het hoger beroep. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.
Daarnaast handhaafde appellant het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens vermeende overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Raad beoordeelde de totale duur van de procedure, inclusief bezwaar en beroep, en concludeerde dat de redelijke termijn niet was overschreden, mede omdat de totale procedure nog geen vier jaar had geduurd.
Op grond hiervan wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door J.N.A. Bootsma, in aanwezigheid van griffier L.V. van Donk, op 18 januari 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.