Uitspraak
16.7885 PW
10 november 2016, 16/3632 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand van december 2011 tot september 2015, waarna het college de bijstand introk vanwege onduidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie. Appellant verklaarde werkzaamheden te verrichten op de markt voor een kennis, die hij als vrijwilligerswerk beschouwde. Bij een nieuwe aanvraag in december 2015 gaf hij aan onbetaald werk te doen, maar leverde geen concrete administratie of verifieerbare gegevens over de omvang van zijn werkzaamheden.
De gemeente voerde een onderzoek uit en concludeerde dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren en dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenplicht. Het college wees de aanvraag af, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij het college niet onjuist had geïnformeerd en dat hem eerder het voordeel van de twijfel was gegeven.
De Raad oordeelde dat de activiteiten wel degelijk op geld waardeerbaar waren en dat appellant onvoldoende duidelijkheid had verschaft over de aard en omvang ervan. Het college had geen ondubbelzinnige toezegging gedaan dat de werkzaamheden geen invloed hadden op het recht op bijstand. De schending van de inlichtingenverplichting leidde tot afwijzing van de aanvraag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen wegens schending van de inlichtingenverplichting over zijn marktactiviteiten.